De eerste keer dat het donker werd, was een bijzonder moment voor de mensheid. Het markeerde het einde van de dag en het begin van de nacht, een overgang die altijd al tot de verbeelding heeft gesproken.
Voor onze verre voorouders moet het een beangstigende ervaring zijn geweest. Plotseling verdween het zonlicht en werd alles om hen heen gehuld in duisternis. De dieren verstopten zich, de geluiden vielen stil en de lucht koelde af. Het was alsof de wereld even tot stilstand kwam.
Maar met het donker kwam ook de schoonheid van de nacht. De sterren aan de hemel begonnen te fonkelen en de maan verscheen in al haar pracht. De nacht werd een bron van mysterie en magie, een tijd waarin de verbeelding vrij spel had.
Vandaag de dag zijn we gewend geraakt aan het donker. We kennen de nacht als een periode van rust en herstel, waarin we onze batterijen opladen voor een nieuwe dag. Maar laten we niet vergeten hoe bijzonder het is dat we elke dag opnieuw getuige mogen zijn van de overgang van licht naar donker.
Dus laten we stil staan bij de eerste keer dat het donker werd, en ons verwonderen over de kracht en schoonheid van de nacht. Het is een moment om te koesteren en te vieren, een herinnering aan onze verbondenheid met de natuur en het mysterie van het universum.