Boaze fekke efter de skou en de pream (7) is een oud gezegde dat wordt gebruikt in de Nederlandse taal. Dit gezegde betekent letterlijk “boze feek na de schouw en de preek”.
Het gezegde verwijst naar mensen die zich voordoen als vrome en vreedzame personen, maar die in werkelijkheid boos en kwaadaardig zijn. Het suggereert dat deze mensen hun ware aard verbergen achter een façade van religiositeit en vroomheid.
De term “feek” verwijst naar een vrouwelijke demon of boze geest, en “schouw en preek” verwijst naar respectievelijk de controle en bestraffing van zonden door de kerk. Dus het gezegde suggereert dat zelfs na het ontvangen van religieuze bestraffing en instructie, sommige mensen nog steeds slecht en boosaardig blijven.
Het gezegde wordt vaak gebruikt om te waarschuwen tegen hypocrisie en schijnheiligheid. Het herinnert ons eraan dat het belangrijk is om oprecht en eerlijk te zijn in ons gedrag en onze relaties met anderen.
Dus, de volgende keer dat je iemand tegenkomt die zich voordoet als een heilige, maar in werkelijkheid een boze feek is, denk dan aan het gezegde “Boaze fekke efter de schou en de preek (7)” en wees op je hoede voor hun bedrieglijk gedrag. Het is beter om iemand te kennen voor wie ze werkelijk zijn, dan om je te laten misleiden door hun valse façade.