In de 17de eeuw waren de De Beemster en de Purmer twee belangrijke polders in Nederland. Deze polders waren ontstaan door het droogleggen van meren en moerassen en speelden een grote rol in de economische ontwikkeling van de regio.
De Beemster, gelegen ten noorden van Amsterdam, werd in 1612 drooggelegd. Het was het eerste grootschalige inpolderingsproject in Nederland en diende als voorbeeld voor latere droogleggingen. De Beemster was een vruchtbare polder en al snel werd er volop landbouw bedreven. De polder stond bekend om zijn rijke veeteelt en bloembollenteelt.
De Purmer, gelegen ten westen van De Beemster, werd drooggelegd in 1622. Ook hier werd er volop aan landbouw gedaan, met name veeteelt en akkerbouw. De Purmer was een belangrijke leverancier van voedsel voor Amsterdam en andere steden in de omgeving.
De dorpen in de polders, zoals Middenbeemster en Purmerend, groeiden uit tot bloeiende gemeenschappen. Er werden kerken, molens en boerderijen gebouwd en er ontstond een levendige handel. De Beemster en de Purmer waren niet alleen belangrijk voor de voedselvoorziening, maar ook voor de werkgelegenheid in de regio.
In de 17de eeuw was Nederland een bloeiende handelsnatie en de polders van De Beemster en de Purmer leverden hier een belangrijke bijdrage aan. De vruchtbare grond en de gunstige ligging zorgden ervoor dat de polders een welvarende regio waren.
Tegenwoordig zijn De Beemster en de Purmer nog steeds belangrijke agrarische gebieden in Nederland. De historische dorpen en boerderijen herinneren nog aan de rijke geschiedenis van deze polders in de 17de eeuw.