Het Beleg van Antwerpen was een belangrijke gebeurtenis tijdens de Tachtigjarige Oorlog, waarbij Antwerpen, een belangrijke stad in de Nederlanden, werd belegerd door de Spaanse troepen van 4 november 1584 tot 17 augustus 1585.
Het beleg begon nadat het leger van Alexander Farnese, hertog van Parma en landvoogd van de Spaanse Nederlanden, erin slaagde om de Schelde af te sluiten, waardoor Antwerpen volledig geïsoleerd raakte en geen bevoorrading meer kon ontvangen. De stad was op dat moment één van de grootste en rijkste steden in Europa, met een bloeiende handel en een belangrijke rol in de opstand tegen de Spaanse overheersing.
Gedurende het beleg werden de inwoners van Antwerpen geconfronteerd met hongersnood, ziektes en bombardementen vanuit het Spaanse leger. Ondanks verwoede pogingen van de stad om zich te verdedigen, was de situatie uitzichtloos en op 17 augustus 1585 gaf Antwerpen zich over aan de Spaanse troepen.
Het Beleg van Antwerpen betekende het einde van de Gouden Eeuw van Antwerpen en had verstrekkende gevolgen voor de stad en de Nederlanden als geheel. Veel handelaren en kunstenaars vluchtten naar het noorden, wat bijdroeg aan de opkomst van steden als Amsterdam en Haarlem als nieuwe centra van handel en cultuur.
Het Beleg van Antwerpen is dan ook een belangrijk moment in de geschiedenis van de Nederlanden, waarbij de macht en invloed van Antwerpen definitief werd gebroken en de weg werd vrijgemaakt voor de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Het is een herinnering aan de strijd voor vrijheid en onafhankelijkheid die onze voorouders hebben gevoerd en die heeft bijgedragen aan de vorming van ons moderne Nederland.