Wat stappers hebben en de slager doet is een bekend gezegde in het Nederlands dat verwijst naar de gewoonte van mensen om op zaterdagavond uit te gaan en op zondagochtend vroeg naar de slager te gaan om vlees te kopen. Het gezegde benadrukt het contrast tussen het losbandige gedrag van de avond ervoor en de praktische taken die de volgende dag moeten worden uitgevoerd.
Het gezegde is ontstaan in een tijd waarin uitgaan op zaterdagavond nog niet zo’n alledaags fenomeen was als nu. Mensen werkten vaak zes dagen per week en hadden alleen op zondag vrij. Op zaterdagavond gingen ze dan vaak stappen en genoten van een avondje uit. De volgende dag, op zondag, moesten ze echter weer vroeg op om boodschappen te doen en andere huishoudelijke taken te verrichten.
De slager speelt een specifieke rol in dit gezegde, omdat vlees destijds vaak alleen op zondag vers verkrijgbaar was. Mensen die uit waren geweest, moesten dus vroeg op om hun vlees bij de slager te halen voordat deze uitverkocht raakte. Op die manier werd het contrast tussen het plezier van de avond ervoor en de verantwoordelijkheden van de volgende dag extra benadrukt.
Tegenwoordig is het gezegde nog steeds bekend in Nederland, maar heeft het niet meer dezelfde betekenis als vroeger. Uitgaan op zaterdagavond is nu veel gebruikelijker en de meeste mensen hebben vrije tijd om te genieten van hun weekend. Toch blijft het gezegde herinneren aan een tijd waarin het leven nog wat minder gehaast was en mensen hun verantwoordelijkheden serieus namen.
Kortom, Wat stappers hebben en de slager doet is een typisch Nederlands gezegde dat het contrast benadrukt tussen plezier maken en verantwoordelijkheden nakomen. Het herinnert ons aan een tijd waarin het leven nog wat eenvoudiger was en mensen nog tijd namen voor hun dagelijkse taken.